Een nieuwe politieke breuklijn? Verdeeldheid op Links over het vluchtelingenbeleid

Dit artikel in het kort

Groepsdenken en tribalisme zijn niet nieuw zijn voor de Nederlandse politiek, maar lijken sinds 2017 met de komst van Forum voor Democratie en DENK in de Tweede Kamer een vaste plek te krijgen. Migratie, met name het hedendaagse asiel -en vluchtelingenbeleid, splijt de politiek over culturele en economische argumenten, zowel tussen verschillende partijen (D66 vs PVV) als binnen een politieke partij (de SP). De raamwerken van Links en Rechts lijken tekort te schieten. Een hypothese is dat ook de discussie over migratie valt binnen de kaders van enerzijds diegenen die globalisering en moderniteit omarmen, en anderzijds diegenen die hunkeren naar een nostalgisch verleden met meer zekerheid. Deze politieke breuklijn is ideologisch, maar blijkt ook voorspelbaar aan de hand van geografie. Solidariteit en het terugwinnen van individuele waardigheid ontbreken om de verdeeldheid op te lossen. Drie zaken zijn hier voor nodig: 1) een internationale samenwerking voor een vluchtelingenbeleid met een uniform quotum, voorzieningen en rechten en plichten in Europa, 2) een sociale zekerheid die bestand is tegen de uitdagingen van de 21ste eeuw, en 3) democratische vernieuwing voor meer zeggenschap in de besluitvorming van miljardenbedrijven.

Introductie

Vergeleken met andere delen in de wereld is het aantal vluchtelingen dat op een continent van 500 miljoen mensen is aangekomen nauwelijks een crisissituatie. Nochtans hebben de aankomsten van nieuwkomers de opvangsystemen van bepaalde landen getest. Bovendien bracht het aan het licht dat een alomvattende Europese reactie, idealiter gebaseerd op solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid, ontbrak. Europeanen zijn zich een illusie rijker van het ontbreken van een Europese politieke unie.

In plaats van een veilige weg naar Europa te garanderen, werden grenscontroles verhoogd en hekken geplaatst, en maken landen — waaronder Nederland — het steeds moeilijker voor asielzoekers en statushouders. Zo staat er bijvoorbeeld in het Regeerakkoord 2017, opgesteld door de coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en CU, dat asielzoekers pas een advocaat kunnen krijgen, nádat de asielaanvraag is afgewezen. Een dergelijke beleidsbepaling gaat tegen de geest van het Vluchtelingenverdrag van 1951 in en is bovendien rechtsstatelijk illiberaal. Deze maatregelen onthullen mogelijk een gebrek aan Europese solidariteit naar de buitenstaander. Is dit puur xenofobie? Voor Nederland is de realiteit dat de discussie zeer complex is en dat het raakt aan de fundamentele uitdagingen voor de wereld in de 21ste eeuw. In Nederland neemt het groepsdenken toe en heerst er een afgunst jegens nieuwkomers die aanspraak mogen doen op het sociaal stelsel. Ook neemt de ongelijkheid in ontwikkelde landen toe en lijkt internationale samenwerking door de terugtrekking van de Verenigde Staten minder voor de hand. Intussen neemt wereldwijd gewelddadig conflict toe, enerzijds door extreem ideologisch geweld, anderzijds door de aantasting van water -en voedselvoorzieningen, aangetast door de opwarming van de Aarde.

Screen Shot 2018-08-18 at 3.01.10 PM.png

Tribalisme en groepsdenken

Hoewel in het laatste jaar het aantal asielzoekers dat naar Nederland komt is afgenomen, nemen oorlog, geweld en conflict vanwege etnisch en religieus conflict toe. Mensen vluchten uit het Midden-Oosten en uit Oost-Afrika, maar ook onlangs in Zuid-Oost Azië, waar de Rohingya, een moslim-minderheid, op de vlucht is geslagen voor geweldplegende Boeddhisten. Hoewel veel van dit conflict religieus lijkt, klopt dit beeld slechts deel. Het meeste conflict is etnisch, zoals Amy Chua, politiek wetenschapper aan de universiteit van Yale, heeft aangetoond. Als voorbeeld noemt zij ondermeer de Taliban, een groep die volgens de Amerikanen bestaat uit religieuze fanatici. De realiteit is dat de groep ontstond toen de etnische groep, de Pashtuns, sinds de val van de monarchie en de Sovjet invasie in 1973 en 1979, hun dominantie in Afghanistan na 200 jaar verloor. Zij richtten de Islamistische Taliban op en interpreteerden sindsdien iedere aanval die aan hen gericht was als een aanval op hun eigen etnische groep.

Tribalisme en etnisch conflict is niet alleen gereserveerd voor verre oorden. Ook in liberale democratieën, zoals in Nederland, lijken gedeelde waarden van gelijkheid en solidariteit plaats te moeten maken voor groepsdenken. Dit is al enige tijd aan de gang. Maar zeker vanaf de verkiezingen van 2017 lijkt deze vorm van politiek bedrijven erg makkelijk te zijn om gevoelens van wantrouwen onder mensen in de kaart te spelen. Simpel voorbeeld: Kijk eens op Twitter of volg een gemiddelde Facebook-discussie. Consensus is in het huidige publieke debat zelden te bekennen.

Deze populistische identiteitspolitiek verstoort bovendien het nationale eenheidsgevoel, met als gevolg dat de verdeeldheid in de samenleving is toegenomen. Dit heeft grote gevolgen, ondermeer voor de sociale zekerheid — die vooral tussen generaties voor verdeeldheid zorgt. Het bestaan van de 50Plus Partij is hier een voorbeeld van. Het onthult dat de Nederlandse samenleving minder solidair is tussen groepen, hoewel solidariteit nog steeds een gedeelde waarde is binnen groepen Nederlanders. Rechtse populisten hebben weliswaar successen geboekt in de uitholling hiervan, de grenzen blijven vooralsnog open voor asielzoekers en vluchtelingen. Uit recente lokale onderzoeken blijkt overigens dat asielzoekerscentra weinig overlast geven en lijkt dit in het algemeen tolerantie van lokalen te faciliteren richting nieuwkomers. De vraag is hoe lang een meerderheid van de Nederlanders genoegen neemt met het idee van een exceptioneel barmhartige natie, zoals Duitsland, die veelvuldig vluchtelingen opneemt. Kiest de groter wordende groep cultuurfanatici bij de volgende verkiezingen toch eieren voor hun geld? Het voeren van een behoudende, dan wel conservatieve vorm van politiek blijkt leidend als het gaat om het opnemen van nieuwkomers die vluchten voor oorlog. Immers lijkt ook bij Links het onbaatzuchtig helpen van asielzoekers verdeeldheid te veroorzaken, zoals een recente discussie binnen de Socialistische Partij liet zien. Cultuur is nog steeds de meest populaire vorm van argumentatie tegen het opnemen van migranten, maar is — voor het moment nog —gereserveerd voor de exclusieve politiek van Rechts.

Hoewel het economisch argument net zo verdelend kan zijn en wantrouwen in de hand kan werken, is in de Nederlandse politiek met name tussen het jaar 2001 en 2017 de samenstelling van het aantal Tweede Kamerleden die identiteit en cultuur tot hun voornaamste politieke issue verkondigen toegenomen. Nochtans is grootste overeenkomst tussen nu en toen de clichématigheid van de argumenten in het migratiedebat. Eerst waren de nieuwkomers ‘lui”. Immers zouden toentertijd 60% van de Turkse en Marokkaanse mannen boven de leeftijd van 40 arbeidsongeschikt of werkloos zijn. Zonder de werkloosheidscijfers in sectorafhankelijke en leeftijdsafhankelijke context te plaatsen, stelde Paul Scheffer in 2003 voor de Commissie Onderzoek Integratiebeleid dat het ontbreken van economische baten van immigratie een “legitimatieprobleem” oplevert.

Tegenwoordig zijn migranten niet lui meer. Nee, vandaag de dag “pikken zij de banen in”. Het grote aantal asielzoekers dat sinds de Arabische Lente uit het Midden-Oosten gevlucht is naar Nederland heeft een plicht tot inburgeren, wat betekent dat van hen verwacht wordt dat zij de Nederlandse taal moeten leren spreken, vaak een opleiding volgen of werk moeten vinden. Voor de Socialistische Partij (SP) geleid door Lilian Marijnissen is de door nieuwkomers stijgende marktcompetitie vormgevend voor de politieke positie van de partij. Sinds kort is zij op zoek naar een beleid dat “rechtvaardigheid” is en waar “maatschappelijk draagvlak” voor is. Een tak van de SP beredeneert intussen als volgt: De oplossing voor het legitimatieprobleem, nieuwkomers aan het werk helpen, veroorzaakt een opeenvolgend probleem voor de onderkant van de samenleving. Immers staat deze al onder druk sinds de uitbreiding van de Europese Unie en de komst van goedkope, laagopgeleide arbeidskrachten.

Banencijfers onder statushouders blijken alles behalve positief. Slechts een-derde van de vluchtelingen zou een baan vinden tijdens lang verblijf. Gek genoeg lijkt in het huidige politieke debat over nieuwkomers het culturele argument meer en meer de hoge werkloosheidscijfers te overschaduwen. Het economische argument, beredenerend dat druk op de sociale zekerheid negatieve consequenties kan hebben op lange termijn, lijkt in het migratiedebat weinig erkend te worden.

Het clichématige culturele argument, vooral gevoerd bij Rechts, is dat nieuwkomers “niet passen bij ons”. Klaas Dijkhoff, fractievoorzitter van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie vond eerder dit jaar dat een discussie over ternauwernood de Middellandse Zee overgestoken migranten het makkelijkst te behappen is in een bruin café met een cabaretier. Smakelijk lachen over de toegedane gruwelijkheden aan anderen. VVD-politici die toegeven aan PVV-stemmers in een notendop. #PVVcorvee

Vervolgens wordt er door de centrumpartijen — zoals D66 — de noodzaak gevoeld om met hun technocratische beleidsmakers een aanpak te leveren die zowel Links als Rechts tevreden stemt. Desondanks zet de politieke polarisatie in de samenleving en in de Tweede Kamer zet zich voort, ondanks de door experts bejubelde plannen voor inburgering van Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Screen Shot 2018-08-18 at 2.55.49 PM.png

Veiligheidspolitiek in de 21ste eeuw

De vraag is waarom ondanks het hoofdzakelijke economische argument, het culturele argument meer en meer overheersend lijkt in de migratiediscussie. Daar zijn verschillende theorieën voor. Ik zie het als volgt: Sinds de millenniumwisseling is het internationale veiligheidsbeleid toegespitst op het tegengaan van jihadisme en het voorkomen van terroristische aanslagen. De maatregelen van nu zijn een voortzettende trend van het veiligheidsbeleid na de aanslagen op het WTC in New York (2001). Privacywetgeving werd herzien, de AIVD werd opgericht en Schiphol moest aanpassen aan de toenemende uitdagingen van globalisering. Tegelijkertijd kwam het publieke debat rond het integratiebeleid los in Nederland. De periode 2004 tot 2008 wordt door velen bestempeld als een tijd waarin botte populistische retoriek de veelal gediscussieerde onderwerpen van integratie en migratie koppelde aan de fenomenen jihadisme en terrorisme. Gedurende debatten in de Tweede Kamer en daarbuiten, veroordeelde Geert Wilders te pas en te onpas moslims en Marokkanen van “straatterrorisme”. Wat veelal over het hoofd wordt gezien, is dat ook politici van D66, SP en GL gedurende het Tweede Kamerdebat over de moord op Theo van Gogh integratie aanhaalden: de verschillen tussen zwarte -en witte scholen, een minder toekomstperspectief: Kortom, de verschillen in de samenleving in termen van kapitaal vermogen. Factoren die feitelijk niet gekoppeld konden worden aan van Gogh’s moordenaar.

Toenmalig Tweede Kamerlid van de VVD, Jozias van Aartsen verklaarde de moord tijdens het debat als volgt: “Hier is sprake van politiek geweld. […] Deze moord past […] niet in het beeld van de mislukte integratie. De moordenaar was goed opgeleid, sprak en schreef uitstekend Nederlands, zou prima een baan kunnen vinden. Hij was geen zielige, eenzame allochtoon. De VVD is de laatste partij om problemen als criminaliteit en schooluitval onder allochtone jongeren te bagatelliseren, maar deze moord valt echt in een heel andere categorie. […] Er is […] een flink aantal terroristen in de wereld dat zich verbonden voelt door hun identiteit als moslim. Deze mensen delen, behalve hun identiteit, een politieke agenda. Zij willen ons vernietigen.”

Herinner dat de huidige vluchtelingencrisis (vanaf 2014) samenviel met een intensere strijd tegen terreur in zowel Europa als de Verenigde Staten. Vorig jaar pas is de in 2016 afgeroepen noodtoestand stopgezet en is Frankrijk (deels) teruggekeerd naar haar rechtsstaat. In Nederland werden deze kritische gebeurtenissen uitgebuit voor politiek belang door de extreem-rechtse groep NVU, de Nederlandse Volks-Unie geleid door neo-nazi Constant Kusters. Hij leidde groepen mannen langs gemeentebijeenkomsten om te protesteren tegen de komst van asielzoekerscentra. Hoewel Nederlandse gemeenschappen historisch en hedendaags weinig moeite hebben met de opvang van vluchtelingen, was het mediabeeld van een rellende menigte bepalend voor het korte termijn beleid van de landelijke politiek, de peilingen van de PVV, en de campagnestrategieën van centrumrechtse politici zoals CDA en VVD in het najaar van 2016.

In dezelfde mate als dat extreem-rechtse terreur behandeld wordt als een vorm van politieke radicalisering, zijn ook jihadistische geweldplegers geen voorbeelden van een falend integratiebeleid. De inzet van buurtteams, wijkpolitie en een inzet tegen isolement van allochtone families lijken in ieder geval in Nederland hun vruchten af te werpen. Wanneer Geert Wilders verwijst naar geweldplegende allochtone jongeren en klein-criminelen in termen van terreur, is dit absoluut een foute analyse van de problematiek, maar bovenal een tactische zet om zijn politiek exclusief te houden jegens buitenstaanders met een andere huidskleur en in het specifiek moslims. Zijn overweging om de Nederlandse grenzen te sluiten is daarom niet meer en niet minder een veiligheidsbepaling tegen een buitenstaander, één van niet-westerse afkomst. Wilders voedt op angst en dit kenmerkt zijn xenofobische politiek. Een vergelijkbaar voorbeeld van het veiligheidsbeleid in de exclusieve politiek, is de presidentscampagne in Amerika van Donald Trump. Door Mexicanen verkrachters en moordenaars te noemen en latino’s impliciet te koppelen aan de gewelddadige MS-13 gang, buitte hij het migratiedebat volledig uit over het veiligheidsargument.

Er doen zich nu twee existentiële vragen de kop op: Is een exclusieve vorm van politiek bedrijven moreel verantwoord? Zo nee, zijn de uitkomsten van deze vorm van politiek bedrijven in het belang van het behoud van een liberale democratie? Wat we sinds de Tweede Kamer verkiezingen in 2017 hebben gezien is een vermeende politieke splijt over identiteit. Moslims, Marokkanen en Turken stemden de partij DENK de Tweede Kamer in en de partij groeide in 2018 verder. Ook in Rotterdam en Amsterdam kwamen twee nieuwe partijen voor minderheidsidentiteiten op: Nida en Bij1. Maar bovenal is de doorzetting van de exclusieve politiek, inmiddels ook gevoerd door Thierry Baudet’s Forum voor Democratie, een teken dat het morele argument in de heersende politieke stroming van Rechts er steeds minder toe doet. Deze negatieve kanteling moeten verdedigers van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en het Vluchtelingenverdrag van 1951 zeer serieus nemen.

De visie van de exclusieve politiek, met name gevoerd door Wilders (PVV) en Baudet (FvD), is een samenleving die nieuwkomers, maar ook etnische minderheden, buitensluit van groei op de sociale ladder. Het succes van DENK, een partij die meer maatschappelijke en economische inspraak voor minderheden belooft, is hier aan te koppelen. De vraag of het bedrijven van de exclusieve politiek moreel verantwoord is is overbodig. Immers mag al van VVD’er Dijkhoff gegrapt worden over het onheil van mensen die de zee oversteken; of, zoals uitgedrukt in de taal van Geenstijl: “dobbernegers op de Middellandse Zee”. Waarom zou aan deze kant van het debat de extreem-rechtse visie, een zandlopermodel van de samenleving met bovenaan een rijke blanke bovenklasse en onderaan een arme bruine onderklasse, met daartussen weinig interactie en kans tot doorstroming, dan nog immoreel zijn? Gematigde cultuurpolitici van de VVD en het CDA moeten zich ernstig te vraag stellen of deze visie leidt tot een duurzaam behoud van de liberale democratie. Tegelijkertijd moeten linkse actoren zich te vragen stellen of de inclusieve politiek voor minderheidsgroepen, met name in taalgebruik, buiten de eigen ivoren toren daadwerkelijk een slag slaat. Het bestrijden van sociaal onrecht is altijd goed, doch blijkt het bedenken van oplossingen voor economische ongelijkheid hierbij door Links te worden genegeerd. Van straatnamen wordt er verwacht deze aan te passen, terwijl segregatie en gentrificatie oncomfortabele realiteiten zijn die niet schuren met het beeld van Nederlandse gelijkheid.

Screen Shot 2018-08-18 at 2.53.13 PM.png

Kapitaal vermogen en afkomst

Arbeidsmigratie kwam in Nederland, in tegenstelling tot landen zoals Frankrijk en Duitsland, pas in de jaren 60’ en 70’ van de vorige eeuw op gang. Ondanks vermeende tegenvallende resultaten voor de economische groei, zijn de kinderen van de arbeidsmigranten op socio-economisch gebied geïntegreerd, in het specifiek in de commerciële dienstverlening. In 2004 werd door de Minister van Integratie, Stef Blok, de multiculturele samenleving zodoende als geslaagd verklaard. Blok’s huidige analyse, dat multi-etnische samenlevingen niet kúnnen slagen vanwege het inherente groepsdenken, staat haaks op zijn bevindingen van 14 jaar geleden. De uitdaging voor de multiculturele / multi-etnische samenleving waar politici nu voor staan is de klim op de sociale ladder beter mogelijk te maken, waar dit bij allochtonen beduidend minder lijkt te gaan dan bij autochtonen. “Inknokken”, zoals premier Mark Rutte het noemt, is een houding dat allang effectief blijkt voor hoog-presteerders. Zij zullen zich wel redden. Alleen is deze groep in iedere samenleving in een hele kleine minderheid. Een echte inclusieve samenleving zal moeten streven naar betere schoolprestaties over de hele linie. Kapitaal vermogen blijkt nog steeds de beste voorspeller voor hoge schoolresultaten. Voor achterblijvers leiden deze resultaten uiteindelijk tot minder sociale mobiliteit als volwassen persoon. Een voor de hand liggende oplossing: kleinere klassen op scholen in achterstandswijken.

Deze intersectionele analyse, kapitaal vermogen in combinatie met afkomst, verklaart deels waarom statushouders moeite hebben een vaste baan te krijgen en deze te behouden. Inzet om dit verbeteren is nodig, maar zelfs dan is alleen kennis van de Nederlandse taal onvoldoende voor velen om zich in te knokken in een veilige positie in de middenklasse. Kortom, zelfs de plannen van de bejubelde Minister Wouter Koolmees, om statushouders sneller te integreren, zal mogelijk zijn limieten kennen. Een te coulant asielbeleid zou teveel druk hierop kunnen zetten, tegelijkertijd kan een pragmatische aanpak niet zonder een leidende ideologie. Één die zegt: ‘Kom bij ons. In Nederland ben je veilig.’ De noodzaak voor beter beleid kan niet groter zijn dan als het om oorlogsslachtoffers gaat. Het Vluchtelingenverdrag 1951 hoort nog steeds te dienen als richtlijn voor een humaan asielbeleid.

Net zoals in Nederland wordt er ook in de rest van de wereld gediscussieerd onder welke voorwaarden nieuwkomers mogen participeren in de samenleving. Binnen Europa heerst er enorme verdeeldheid. Ook in andere Europese lidstaten voeren politieke partijen en overheden hoofdzakelijk een discussie omwegen van het culturele argument. Zelfs met bijkomende financiële deals blijven voormalige Oostbloklanden voet bij stuk houden. Politiek leiders pleitten vooral voor de soevereiniteit van hun volk: “Geen homeopathische verdunning”, zoals in de beruchte woorden van Baudet. Een internationale top ter verdienste van een uniform vluchtelingenbeleid zou niet misstaan. Maar hoe zou zo’n internationale top, geïnitieerd door Europese landen, eruit komen te zien?

Globalisering en ongelijkheid

Sinds de milleniumwisseling is het gezicht van Europa enorm veranderd. Nieuwe lidstaten van de Europese Unie hebben enorme ontwikkeling doorgemaakt. Maar net zoals in West-Europa en elders zijn de razendsnelle technologische vooruitgangen en de opkomst van social media van grote invloed voor de toegankelijkheid en de verspreiding van alternatieve nieuwsbronnen. In een nieuwe wereld waarin fact-checkers en hoax-busters geen overbodige luxe zijn, groeit er echter onzekerheid over eerder vastgestelde waarheden. Bovendien worden de technologische vernieuwingen ingezet op dagelijkse basis om politieke doeleinden te behalen, waaronder de meeste cynische vormen, zoals de verspreiding van desinformatie. Overal lijkt dit samenlevingen uit elkaar te trekken. Angst wordt opgewekt op allerlei manieren om burgers te verlammen zodat zij zich keren naar leiderschap dat onware zekerheden uit een ver verleden aanhaalt. Een mogelijke nieuwe politieke breuklijn is waar deze verdeeldheid zit: tussen hen die globalisering en moderniteit omarmen en anderzijds zij die zich beroepen op een nostalgisch verleden dat zekerder was. Populisten overal in Europa weten onzekerheden uit te buiten zonder een alternatief te hoeven aanbieden. De desintegratie van de na-oorlogse linkse politieke partijen, in Nederland de Partij van de Arbeid, heeft tevens met dit gebrek aan het bieden van nieuwe zekerheden te maken.

Onzekerheid binnen de samenleving is een directe uitkomst van de ontregeling door digitalisering en groeiende marktcompetitie. De samenleving heeft nieuwe vormen van zekerheid nodig waar de oude maatregelen tekort doen. Meer liberalisme, een trend van globalisering, betekent meer vraag naar voorzieningen. De maatschappij dient economische onzekerheden serieus te nemen en verouderd beleid te vervangen voor nieuw economisch beleid. Het feit dat vakbonden nauwelijks invloed hebben vandaag de dag, laat zien hoe waarden, zoals solidariteit en individuele waardigheid, tussen groepen andere connotaties hebben. Dit kan de politieke desintegratie van Links deels verklaren. Ook kan het de makkelijkheid waarmee rechtse populisten in Oost-Europa aan de macht komen verklaren: immers zijn daar de democratische machtsstructuren nog geen dertig jaar oud, in tegenstelling tot West-Europa, zoals in Nederland, waar de eerste democratisch gekozen politieke partijen aan het einde van de 19e eeuw ontstonden, ruim ná de Industriële Revolutie, het ontstaan van het proletariaat en de opkomst van de vakbonden.

Screen Shot 2018-08-18 at 3.00.03 PM.png

Geografisch is de politieke breuklijn die gekenmerkt wordt door culturele en economische onzekerheid zeer kenbaar. Leef je in Nederland in de stad of daar dichtbij? Dan omarm je hoogstwaarschijnlijk de huidige trend van technologische vernieuwingen zoals Uber en een cosmopolitaanse samenstelling van je leefomgeving. Leef je ergens waar moeilijker bussen of trein komen? Dan zal je eerder de indruk hebben dat globalisering slachtoffers maakt. Deze fysieke breuklijn is toepasbaar in veel Westerse landen gekeken naar stemgedrag. Neem de Brexit, neem Donald Trump, neem de successen van le Front National. Globalisering is gebleken een verstorende kracht te zijn voor samenlevingen. De waarheid is dat deze kracht niet te stoppen lijkt. Ervoor terugdeinzen blijkt dramatische economische gevolgen te hebben, zowel voor Groot Brittannië waar men begint voedsel op te slaan, als voor de Amerikaanse industrieën en diens werkkrachten door Trump’s verhogingen van tarieven.

De economische theorie van Marx is onontkoombaar in de huidige tijd, gekeken naar recente data van het IMF, die groeiende ongelijkheid laat zien binnen ontwikkelde landen. Tegelijkertijd zien we een groeiende wereldeconomie vanwege de technologische vooruitgangen die betere en goedkopere producten voor consumenten bewerkstelligt. Kortom, globalisering is onomkeerbaar vanwege haar doordringendheid in alle facetten van de economische samenleving. De vraag is: aan welke zekerheden zijn er een tekort, en hoe lossen wij dit op?

Het afgelopen jaar stonden de multinationals vanwege de Brexit veelvuldig in de belangstelling. Van Unilever, Shell en de dividendbelasting, de verdubbeling van het salaris van ING-topman Ralph Hamers: de linkse oppositie had genoeg ammunitie om op het kabinet af te vuren. Maar ook hier bleef deze vorm van economische demagogie, met name vanuit de richting van GL en Jesse Klaver, uit van mogelijke oplossingen. In plaats van een uitgebreid plan, werden deze relletjes gebruikt voor politiek gewin op de korte termijn. Onlangs presenteerde de Amerikaanse senator Elizabeth Warren een plan dat miljardenbedrijven en de winsten van diens aandeelhouders aan banden moet leggen. Haar idee om een verplichte 40% van diens besturen te laten bestaan uit werknemers zou ook in Nederland niet misstaan. Niet alleen multinationals die zich willen vestigen, ook het democratiseren (met een kleine d) van familiebedrijven die miljarden aan omzet genereren kan helpen faciliteren in de allocatie van fondsen voor lokale projecten: woningbouw, het bouwen van scholen, en het faciliteren van sociaal ondernemerschap in de directe omgeving. Voor werknemers van Sligro, Ahold, Unilever en Shell betekent dit dat zij kunnen teruggeven aan hun eigen gemeenschappen. Deze vorm van democratische vernieuwing lost niet alleen ongelijkheid op dankzij een efficiënte vorm van redistributie van financiële mogendheden in de directe omgeving, het komt bovenal op voor de gewone man / vrouw.

Binnen de individuele lidstaten van de EU heerst er grote verdeeldheid vanwege een gebrek aan menselijk vertrouwen. De sociale zekerheid van de midden-twintigste eeuw bestaat in veel Europese landen grotendeels niet meer, of doet het in de huidige vorm voor velen tekort. In plaats van deze terug te willen halen, is er politieke vernieuwing nodig en dienen er andere vormen van financiële zekerheden te komen. Niet alleen banen en salarissen zijn hiervoor nodig, ook een versoepeling van de bijstandswet kan economische zekerheid brengen onder groepen van de economische samenleving wiens salarissen al decennia gedrukt zijn. Dit kan een belangrijke beginstap zijn richting het universeel basisinkomen. De vraag is in hoeverre deze versoepeling duurzaam is. Dit zal afhankelijk zijn van wie er aanspraak op mag doen. Het economische argument tegen migratie, dat het vluchtelingenbeleid in Nederland de sociale zekerheid onder druk zet, is een uitdaging voor de 21ste eeuw waar beleid uit de 20ste eeuw tekort voor schiet. Het culturele argument van Rechts zal hoe dan ook leidend blijven, die opkomt voor de meerderheidsgroep die de laatste jaren nochtans tekort lijkt te komen in diens culturele waardigheid. Ook hier is de geografie bepalend: na de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 beheersen zowel de VVD als het CDA de stem van het Nederlandse platteland. Kortom, een tegemoetkoming in sociale rechten is niet per se voldoende, een assimilatiemodel voor inburgering waarin seculariteit leidend is lijkt inmiddels ook te worden geopperd door het verbond Vrij Links.

Screen Shot 2018-08-18 at 3.02.49 PM.png

Tribalisme in de Nederlandse politiek

Ik denk dat het argument van Vrij Links fair is wanneer zij stellen dat Nederlandse beleidsmakers verkeerd hebben ingeschat welke plaats de Islam in de Nederlandse samenleving heeft in vergelijking met een land als Marokko, waar de imam een minder dichte plek inneemt in het gezinsleven. Nog steeds worden ook over het groepsdenken verkeerde inschattingen gemaakt en ook voor Vrij Links is er ruimte voor verbetering in hun aanpak. Immers hunkeren mensen op een zeker punt van hun leven naar kennis over hun eigen etnische en religieuze achtergrond en het mogelijk kunnen uitdragen ervan. De identiteitspolitiek is een nieuwe werkelijkheid, zo stelt Francis Fukuyama. Dat volksmenners hiermee aan de haal gaan lijkt me meer dan logisch, alleen zou het alternatief iets beters moeten kunnen bieden dan alleen de vraag: “Waar is dit gedoe (religie / identiteit) allemaal voor nodig?”. Naast een omvangrijk plan dat meer waardigheid biedt dan alleen een groepsgevoel zal het voor volksmenners hoofdzakelijk moeten gaan een nationaal gevoel van inclusie te kunnen uiten. Zonder zo’n soort leiderschap zal het politieke speelveld los zand blijven.

De hamvraag is, welk leiderschap op Links kan de samenvatting van al het bovengenoemde vertalen naar beleid? Het culturele argument van Vrij Links is immers niets minder dan een aftopping; de echte strijd vindt uiteindelijk plaats rond een innovatief en uitgebreid programma dat economische ongelijkheid in de samenleving serieus neemt en dat specifiek toegespitst is op de universele benodigdheden van de Nederlandse samenleving. De vluchtelingenproblematiek onthult vooral het onvermogen van Europese samenlevingen om solidariteit voor zijn medemens op te brengen, dat terwijl Europese landen zoals Nederland, Duitsland, Zweden, en Frankrijk zich internationaal wel zo kunnen manifesteren. Europese landen zullen internationaal, via een multilaterale aanpak moeten pogen een overeenkomst te sluiten over een quotum, voorzieningen en de rechten en plichten van statushouders. Het liefst uniform zodat ook dit op Europees niveau gebudgetteerd kan worden.

Naar mijn inschatting zal er geen echte mentaliteitsverschuiving plaatsvinden over het veiligheidsbeleid. Links zal bovendien geen explosieve electorale groei ondervinden. Sterker nog, gezien de groeiende populariteit van Thierry Baudet zal het speelveld op Rechts verder uitdijen. De realiteit is dat het culturele argument overheersend is en dat Links zich geroepen voelt hier wat van te vinden. Vrijgevochten waarden van tijdens de seksuele revolutie lijken plaats te moeten maken voor het etnische groepsdenken. De zorgen van Vrij Links over de emancipatie zijn reëel. Alleen blijkt ook door hen de rol van religie te worden overschat in de analyse. Verdeeldheid heerst er namelijk ook tussen de christelijke -en de moslim Eritreeërs, en kunnen beide groepen evenwel culturele normen bezitten, bijvoorbeeld de rol van de vrouw, die op hun beurt weer moeilijk mixen met de normen in Nederland.

Internationale samenwerking

Het nut van een internationale top is dat overheden pogen een overeenkomst te bereiken die voor iedereen werkbaar is. Net zoals de Klimaattop van Parijs in 2016 dat de afspraken voor CO2-reductie in principe vrijblijvend zijn, moedigt het een internationale samenwerking aan dat eventueel tot een vorm van multilateralisme kan leiden. De ernst van de zaak wordt daarbij ook onderstreept. Ook leidt een internationale top tot een betere overeenstemming tussen landen inzake gedeelde verantwoordelijkheden. De nucleaire top in Den Haag in 2014 leidde tot een grotere ernst onder wereldleiders. Internationale samenwerking heeft sinds de tweede helft van de twintigste eeuw geleidt tot minder doden door oorlog en conflict. De resultaten van multilateralisme zijn evident. Een internationale top waarin overheden het voor de zwakkeren opnemen dunkt mij als een volgende stap in het verder terugzakken van het aantal oorlogsslachtoffers.

Europa kan een belangrijke rol spelen in het wereldwijde beschermingsregime door een ambitieus deel van de wereldvluchtelingen op zijn grondgebied op te vangen. Bovendien kan Europa op mondiaal niveau een belangrijke rol spelen door, in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag van 1951, te leiden en een norm te bepalen voor een humaan en rechtvaardig beleid. De Europese Unie moet zijn geschiedenis inachtnemen en zijn waarden van menselijke mobiliteit presenteren die de rechten en de behoeften van mensen ondersteunt.

De vluchtelingenproblematiek verdient een internationale top, omdat onafhankelijk van ideologische overtuiging, Nederlanders er terugkijkend op hun eigen geschiedenis al voor hebben gekozen om elkaar en anderen te steunen. Deze redelijkheid verdient een vooruitstrevend doch duurzaam economisch beleid, alsook een cultureel beleid dat behoudend mag zijn over het sociale en liberale karakter van Nederland.